in de kroeg
dr. Coen van Galen
Het is Suriname, 1830. Een half ontblote zwarte vrouw wordt beoordeeld door een aantal witte mannen. De vrouw woonde samen met een blanke man en zij hadden samen twee kinderen. De man kwam jong te overlijden. Zij was beschreven erfgename, maar het testament werd niet erkend. Slaven waren bezit en konden geen erfgenaam zijn. De vrouw en de kinderen werden als boedel van de overleden man beschouwd en net als de rest van de boedel verkocht. Dr. Coen van Galen, universitair docent economische, sociale en demografische geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen, begon zijn verhaal met een illustratie waarop de verkoop te zien is. Het is voor hem dé afbeelding die het trieste verhaal van slavernij vertelt.
Onder slavernij verstaat Van Galen, zo gaf hij aan, het afdwingen van diensten (vaak arbeid en seks) en het misbruik van mensen om er zelf beter van te worden. Slavernij gaat gepaard met het ontmenselijken en onteren van tot slaaf gemaakten en het degraderen van mensen tot verhandelbare voorwerpen. Slavernij is van alle tijden. Ook nu: er is net een nieuwe wet in Afghanistan aangenomen waarmee slavernij wordt toegestaan. Naast deze formeel goedgekeurde slavernij is er ook financiële slavernij en juridische slavernij op basis van hoge schulden of overtredingen.
De Nederlandse slavernij begon rond 1630 met de overname door Nederland van Brazilië als kolonie van Portugal. Tussen 1630 en 1680 was Nederland de belangrijkste partij in de transatlantische slavenhandel. Nederlanders waren in de slavernij betrokken tot 1825 en hebben uiteindelijk wereldwijd meer dan een miljoen slaven verhandeld, waarvan 550.000 in de transatlantische handel en daarbij ongeveer 240.000 slaven naar Suriname gebracht.
Van Galen werkt aan het project Historische Database van Suriname en de Cariben. De ambitie van dit project is het online beschikbaar maken van bevolkingsarchieven uit Suriname en de Antillen. De database bevat informatie van vrije inwoners, tot slaaf gemaakten en van contractarbeiders. Aan de hand van een aantal levensverhalen lichtte Van Galen de waarde van de database toe.
Hij vertelde het verhaal van Petrus Frederik Bijderhand, een slaaf die werd vrijgelaten vanwege een “hoffelijke daad”: hij redde verscheidene mensen van de verdrinkingsdood bij een scheepsbreuk. Uit de slavenkaarten in het archief blijkt dat zijn eigenaar Maria Magdalena van Vornkal was. Uit de documenten blijkt dat Petrus de zoon van Maria was, en de “hoffelijke daad” was een manier om hem vrij te kunnen maken uit het slavenleven. Uit de documenten leren we ook dat hij later zelf slavenhouder werd: hij kocht zijn eigen vrouw en kinderen vrij van een plantagehouder. Maar echt vrij maken kon juridisch niet; deze mensen bleven ‘voorwerpen’, eigendom van een ander en hij moest daarom slavenhouder worden van zijn eigen vrouw en kinderen.
Een tweede verhaal gedistilleerd uit verschillende documenten in de database leest volgens Van Galen als het script van een film. Het is het verhaal van de vlucht van De Wolf en het speelt op Curaçao in 1841. Flora is slavin en al een aantal keren doorverkocht op Curaçao. Ze heeft door al die wisselende eigenaren een groot netwerk opgebouwd. Dankzij dit netwerk kent ze veel mensen in dezelfde situatie. Een aantal van hen besluit midden in de nacht te vluchten naar het schip De Wolf. In totaal proberen negentien slaven die nacht te ontsnappen naar de Dominicaanse Republiek waar slavernij is afgeschaft. De Wolf wordt echter achternagezeten door een snellere boot die in opdracht van de eigenaren, slavenhouders, proberen Flora en haar kompanen terug te halen. Vlak voor de kust worden ze ingehaald door deze boot uit Curaçao, maar dan breekt een zware storm los en kan De Wolf ontsnappen en de vluchters landen op de kust van de Dominicaanse Republiek. Daarmee zijn Flora en haar negentien medevluchters vrij. Flora is dan 17 jaar oud.
In de geschiedenis van Deventer zijn allerlei sporen van de slavernij te vinden. Veel Deventer fabrieken hadden koloniale connecties voor hun grondstoffen en ook de koloniale landbouwschool was in Deventer gevestigd. Een verhaal van een dame uit Deventer illustreert de connectie. Esther Wilhelmina de Besier was een slaveneigenaar. Zij was de dochter van wethouder De Besier uit Deventer. Ze trouwde met een planter uit Suriname. Een foto van Esther met haar gezin op weg naar de kerk laat zien hoe ze met slaven omgaan: ze dragen haar voetenbankje en parasol. Ook uit de brieven die ze naar haar ouders in Deventer schrijft blijkt dat ze slavernij omarmt; ze beschrijft slaven, mensen, vooral als voorwerpen. En dan ook nog als dingen waar ze weinig vertrouwen in heeft. Niet iets waar we nu als Deventernaren trots op kunnen zijn.
De eerste vraag na de pauze ging over de enorme hoeveelheid slavenregisters: wie hield die bij? De overheid, aldus van Galen. De registratie was nodig om illegale slavenhandel te voorkomen. Dit betekent ook dat de documenten een betrouwbaar beeld schetsen van de situatie.
Een vragensteller met wortels in Suriname vertelde dat zijn grootvader uit Guyana kwam en op driejarige leeftijd met zijn ouders naar Suriname kwam. Hij wilde graag meer weten over zijn familie en vroeg of de database van Guyana gekoppeld is aan die van Suriname en de Cariben. Helaas is die koppeling er nog niet; er wordt wel aan gewerkt. Van Galen gaf aan dat het bekend is dat er inderdaad heel veel mensen tussen de landen in de regio heen en weer gingen.
Een volgende vraag ging over de beleving van de Nederlandse samenleving ten aanzien van slavernij: hoe werd hiernaar gekeken in 1860? Van Galen gaf aan dat er eigenlijk niet zo veel bezwaar vanuit de samenleving was tegen slavernij. De elite was de enige die in die tijd stemrecht had en ook de eigenaren waren van de kranten en andere media. De elite stond vaak dicht tegen de slavenhouders aan; als burgers had zij bovendien vaak veel voordeel van de slavernij: producten zoals koffie, granen en katoen voor kleding werden zeer gewaardeerd, en ‘daar waren nou eenmaal slaven voor nodig’. In deze tijd misschien wel een moeilijk voor te stellen opstelling.
Tenslotte gaf Van Galen aan hoe waardevol het is dat vrijwilligers meewerken aan het ontsluiten van de documenten. Hij is nog steeds op zoek naar mensen die het leuk vinden om daaraan mee te doen. Geïnteresseerden kunnen contact met hem opnemen via https://hdsc.ning.com/ of via Coen.vangalen@let.ru.nl
Tot slot nog twee opmerkingen. Van Galen gaf aan dat hij het als inwoner van Deventer fijn vond dit verhaal in zijn eigen stad te kunnen vertellen. De opbouw van zijn betoog rond enkele zeer concrete verhalen sprak zeer aan.
Dubio verzorgde de livemuziek, Lineke Tak leidde de vragenronde.
Tekst Ynte Schukken, fotografie Martijn Harleman.
« bekijk ook de aankondiging van deze avond
« terug naar overzicht terugblikken 2026