in de kroeg
prof.dr. Tim Soens
Tim Soens, hoogleraar aan de Universiteit van Antwerpen, die zichzelf introduceerde als rampenhistoricus, startte zijn lezing met een anekdote over de grote Elizabethsvloed in het jaar 1404. Na deze grote overstroming stuurde Margaretha van Male, de Gravin van Vlaanderen, een brief aan de getroffenen “dat haere de scade zere leet waeren”. Een zeer beleefde maar beperkte reactie. Haar onderdanen waren er niet erg verbolgen over. Dat heeft volgens Soens twee redenen. In de eerste plaats was het met reacties en rampenbezoeken van de hoogste gezagsdrager toen net als nu: medeleven wordt op prijs gesteld maar de echte hulp komt niet van de gezagsdrager zelf. De tweede reden is dat de ramp minder groot en ontwrichtend was dan later voorgesteld. Er zijn op Wikipedia en in andere bronnen veel zwaar overdreven rampen te vinden. Waarschijnlijk is dat als de doorvertelde fluisterboodschap: de gebeurtenis wordt steeds groter voorgesteld en verandert door de jaren in een ramp. In werkelijkheid waren de inwoners in staat om met het water te leven en overstromingen hoorden bij het leven. De waterschappen in Vlaanderen investeerden destijds veel geld in de verbetering van de dijken: het equivalent van 750 kilo zilver, evenveel als het totale budget van de stad Gent, op dat moment de grootste stad van de Lage Landen. Daarmee kwam Soens op het thema van de avond: accommodatie, je aanpassen aan en voorbereiden op rampen die nu eenmaal voorkomen. Soens liet dit zien aan de hand van de zes verschillende soorten rampen die hij onderscheidt.
Epidemieën
De grootste calamiteit ooit in Europa is de pestepidemie (bekend als de Zwarte Dood, 1347-1350) geweest. In Nederland zijn weinig gegevens uit deze periode overgeleverd, met uitzondering van Deventer. Het necrologium van de Lebuinuskerk in Deventer herdenkt in de periode van 1330-1348 er gemiddeld één dode per jaar (een herdenking was iets bijzonders). In 1350 alleen al waren er dat echter 50. In de Franse stad Marseille zijn in de stukken van de gemeenteraadsvergadering opmerkingen terug te vinden die aangeven dat “er meer is dan de pest”. Er worden vooral wegen gezocht om met de pest om te gaan. Bijvoorbeeld door het invoeren van een veertigdaagse afzondering: de quarantaine. In Venetië werden vanaf 1350 bemanningen van schepen die de stad wilden aandoen voor veertig dagen op een eiland gezet. Overleden bemanningsleden, dan waren die kennelijk besmet; bleven ze leven, dan waren ze blijkbaar niet besmet en mochten ze de stad in. Ook in de Lage Landen was het vooral een kwestie van oplossingen zoeken om de handel door te laten gaan: ‘onze’ accommodatie.
Overstromingen van rivieren
Bijna alle belangrijke steden in Europa lagen (en liggen) aan rivieren. Eigenlijk geldt daarom voor al deze steden dat er altijd overstromingen waren. Eens per generatie trad er wel een ernstige overstroming op. Elke stad in de Lage Landen had daarom een eigen overloopgebied, een buffergebied voor water dat in de zomer diende als rijk grasland. Ook toen al was er toen ‘ruimte voor de rivier’. Jacob van Deventer liet dit ook zien in zijn boek van stadskaarten. Vanaf de late middeleeuwen tot ver in de negentiende eeuw waren grote delen van laag Nederland gekenmerkt door een amfibische levenswijze: er was een accommodatie aan overstromingen. Vanaf de 18e eeuw worden rivieren gekanaliseerd om het water zo snel mogelijk naar de zee brengen. Daarmee kwam in veel gevallen een einde aan de accommodatie. De overstromingsgebieden, de stadsweiden, werden bijvoorbeeld bebouwd met fabrieken. Die liepen bij overstromingen onder, wat het verloren gaan van werk en armoede betekende.
Droogtes
Soens wees op het recente promotieonderzoek van Daniel Moerman, getiteld: A hydrosocial history of drought and societal resilience in Deventer and Zutphen from 1500-1900. Dit onderzoek beschrijft de accommodatie van de lokale bevolking aan droogte. In elke generatie was er wel een grote droogte; het aanbod aan water fluctueert nu eenmaal. Als er weinig water was in de IJssel en de Schipbeek werden bijvoorbeeld de watermolens vervangen door rosmolens die door paarden worden aangedreven. De conclusie van het onderzoek is dat de invloed van droogte beheersbaar was: accommodatie was mogelijk.
Hongersnood
De grootste hongersnood in de Westeuropese geschiedenis is de aardappelplaag in Ierland in 1847. Dat die aardappelziekte zulke rampzalige gevolgen had, kwam doordat aardappelen in Ierland toen het enige voedingsproduct was dat op grote schaal werd geteeld. Dat bleek een te groot risico. Het telen van verschillende gewassen tegelijk, zoals dat in de eeuwen daarvoor gebruik was, is een veel betere accommodatie aan uitbraken van ziekten bij planten.
Aardbevingen
De grootste aardbevingsramp uit de recente Westeuropese geschiedenis was die van 1755 in Lissabon. Markies de Pombal gebruikte deze ramp als een kans voor de vernieuwing van de stad: met de wederopbouw herrees niet alleen de stad maar ook de economie en daarmee kon de stad groeien. De nasleep van deze ramp markeerde, aldus Soens, ook het begin van het einde van de accommodatie. De steden werden te groot om simpel te kunnen ontvluchten. ‘Building back better’ werd de nieuwe aanpak.
Stormvloeden
Het zesde en laatste type ramp betreft de stormvloeden. De historische gegevens over de al genoemde Elizabethsvloed laten zien dat er waarschijnlijk veel minder slachtoffers bij vielen dan lang gedacht. Een telling ongeveer een eeuw later jaar liet zien dat de regio nog steeds bewoond werd: het was een amfibische samenleving waarin de bevolking geleerd had te leven met het water. In de loop van de tijd ging het amfibische verloren, omdat de dijken sterker en hoger gemaakt werden. Daarmee kwamen er minder dijkdoorbraken. De mensen voelden zich veilig en hielden geen rekening meer met calamiteiten. Ze gingen wonen en werken op plekken die in potentie gevaarlijk waren. Soens gaf aan dat bij de stormvloed van 1953 in Zeeland grote aantallen slachtoffers vielen buiten de historische wat opgehoogde centra van dorpen en steden. De vloedzones werden bewoond en daar vielen de meeste slachtoffers. De accommodatie bestond niet meer.
De eerste vraag in de discussieronde onder leiding van moderator Almar Otten ging over de huidige klimaatcrisis. Is dat ook een ramp en kunnen we ons nog hieraan accomoderen? Accommodatie, aldus Soens, als het om een crisis met een dergelijke impact gaat is maar beperkt mogelijk, maar niets doen is geen optie. Wanneer is iets een ramp? Als er veel menselijke slachtoffers zijn, maar Soens vond het wel raadzaam voorzichtig te zijn met het woord ramp.
Een aanwezige was benieuwd hoe je een rampenhistoricus kunt worden. Soens vertelde dat hij gepromoveerd is op het gebied van waterstaatsgeschiedenis. Dat was niet zo’n sexy onderwerp. Vandaar dat hij ervoor koos om een watersnood te beschrijven. Daarna stapte hij over naar andere natuurrampen en werd zo uiteindelijk een echte rampenhistoricus.
De laatste vraag ging over een advies om zich voor te kunnen bereiden op een overstroming in Deventer. Soens stelde dat accommodatie om allerlei redenen steeds moeilijker wordt. Van generatie op generatie opgedane kennis, ervaring en betrokkenheid onder bewoners langs rivieren zijn verdwenen. Bij een overstroming is tegenwoordig niet alleen het water een probleem, maar ook de vervuiling van dat water. Oplossingen als bijvoorbeeld ‘ruimte voor de rivier’ zijn vaak niet schaalbaar en dus alleen een lokale oplossing. Gelukkig vindt het inzicht dat wonen en werken in overstromingsgevoelige gebieden niet verstandig is wel zijn weg in de planologie.
Dubio verzorgde de livemuziek tijdens de avond.
Tekst Ynte Schukken, fotografie Huub Eggen.
« bekijk ook de aankondiging van deze avond
« terug naar overzicht terugblikken 2025